“Ook met standaarden is er nog voldoende te kiezen”

Gepubliceerd op: 1/12/2017

Vektis kijkt jaarlijks naar de praktijkvariatie in de ggz. Er waren en zijn nog altijd forse verschillen in geleverde zorg tussen zorgaanbieders. Guus de Ruiter en Jeroen Muller gaan in gesprek over de rol die kwaliteitsstandaarden hebben binnen de ggz en welke invloed ze kunnen hebben op praktijkvariatie.

“Praktijkvariatie verdwijnt niet volledig door het gebruik van kwaliteitstandaarden. Een deel van de variatie in het effect van behandeling ontstaat doordat patiënten verschillen in aard en ernst van hun klachten. Ook spelen persoonlijke kenmerken zoals intelligentie en sociaal netwerk een rol. Verschillen in behandelingen en behandelaren veroorzaken een ander deel van de variatie. Er zijn soms grote verschillen tussen de behandelduur en het opnamebeleid tussen zorgaanbieders. Zorgstandaarden helpen therapeuten om effectiever te behandelen door zuiver methodisch te werken én naast klachtgericht werken betekenis te geven aan de patiënt.” Aan het woord is Jeroen Muller, voorzitter NKO, het Netwerk Kwaliteitsontwikkeling GGZ. Zolang het gaat om het leveren van de best mogelijke behandeling aan een patiënt, dan mag er best wat te kiezen zijn. Vanuit die optiek is praktijkvariatie prima meent Muller. “Zorgstandaarden bieden behandelaren een palet aan keuzemogelijkheden.” Het gaat daarnaast ook om vakmanschap, het beheersen van de richtlijnen en het ontwikkelen van een goede werkrelatie met de patiënt.

Patient journey

Guus de Ruiter is onderzoeker ggz bij Vektis. “Kun je uitleggen wat kwaliteitstandaarden zijn en hoe ze bijdragen aan betere zorg?" Muller: "Standaarden worden ontwikkeld door zorgprofessionals, patiënten en naasten onder begeleiding van het NKO. Ze beschrijven niet alleen richtlijnen voor het behandelen van psychische aandoeningen, maar ook wat de zorg moet omvatten, hoe de organisatie van de zorg is. Standaarden zijn meer dan ooit geschreven vanuit het perspectief van de patiënt zelf. Ze helpen bij het samen met de patiënt vormgeven van een goede ‘patient journey’, gebaseerd op een samen ontwikkeld behandelplan. Generieke modules, die los van de stoornissen ontwikkeld zijn, dragen bij aan het verdere herstel van de patiënt.”

Wat betekent dat voor een behandelaar? Muller: “Standaarden helpen bij het nemen van beslissingen in het behandeltraject. Omdat standaarden bestaan uit diverse onderdelen zijn er verschillende invalshoeken bij een behandeling mogelijk. Een behandelaar kiest samen met de patiënt welke onderdelen er gebruikt worden, zodat de patiënt de zorg krijgt die op zijn situatie is afgestemd. De te kiezen behandelingen zijn in het algemeen bewezen effectief, en er zijn criteria om zorg waar nodig op- of af te schalen. Dit kan alleen als we het beloop van een behandeling goed volgen. De behandelaar krijgt dus ook een coachende rol. Dat spel, een andere manier van denken, dat moeten we nog leren binnen de ggz.”

Gevoelig punt

Muller: “Er zijn veel mythes rondom zorgstandaarden. Wat voor autonomie heeft een professional nog? Is het ‘kookboekpsychiatrie’? Hoe verhoudt het zich met precisie-psychiatrie oftewel gepersonaliseerde zorg? In de praktijk lopen discussies door elkaar heen en dat is jammer. Want het gaat tenslotte om het leveren van zorg van hoge kwaliteit, tegen betaalbare kosten.”

"Er zijn veel mythes rondom zorgstandaarden"

De Ruiter: “Wat is er nodig om zorgstandaarden ggz-breed te laten landen?” Muller: “Om te beginnen het beter combineren van het werken aan de klachten en het werken aan de persoonlijke doelen van de patiënt. Ten tweede is het belangrijk dat de standaarden onderdeel worden van de opleiding van beroepsgroepen. Op die manier kan een verandering op gang komen vanuit de inhoud, los van alle belangen die er spelen. De implementatie van de standaarden moeten we niet laten uitvoeren door bedrijfsvoerende managers, maar door klinisch leiders. Boegbeelden die gezag hebben en vanuit de inhoud sturing geven.Als derde: de ROM-effectmetingen (zie kader) moeten geïntegreerd worden in het behandelproces, zodat behandelaar en patiënt samen, op basis van de voortgang kunnen beslissen over het vervolg van de behandeling. En tot slot zouden zorgverzekeraars hun inkoopbeleid drastisch moeten wijzigen en toepassing van standaarden hierin op moeten nemen. Stuk voor stuk gevoelige punten, want je komt daarmee aan de autonomie van de behandelaars én die van de zorgverzekeraars. Aan de andere kant, momenteel behandelt 80% van de therapeuten niet volgens de zorgstandaard en 20% wel. Er is dus nog veel te winnen wat betreft het volgen van zorgstandaarden, waar de richtlijnen in zitten.”

Iedereen wordt er beter van

Muller: “Werken met standaarden is ook het kaf van het koren scheiden. Er zijn in het verleden incidenten rondom de kwaliteit van zorg geweest waar wij als sector last van hebben. We kampen nog steeds met een minder goede reputatie. De zorgstandaarden, ROM, de persoonlijke doelen én de informatie vanuit SBG, NKO en Vektis geven een betere kwaliteit voor onze patiënten en vormen ook een model van verantwoording.” Muller besluit: “Als standaarden worden gevolgd dan is dat goed voor patiënten, want die kunnen binnen de standaard kiezen voor verschillende effectieve vormenvan behandeling, in overleg met hun behandelaar. Het geeft ze meer regie en autonomie, en daarmee meer psychische weerbaarheid. Het is ook goed voor de ggz, want zo blijven we alert om goede en doelmatige patiëntenzorg te blijven leveren. En tot slot worden ook de verzekerden er beter van, want de kwaliteit van de zorg gaat omhoog en de kosten omlaag, zodat de premie beperkt kan worden. De cijfers van Vektis zijn essentieel om dat transparant te blijven maken.”

Dit artikel is afkomstig uit de Zorgthermometer ‘Inzicht in de geestelijke gezondheidszorg’. Lezen? Download de Zorgthermometer hier.