Meten van kwaliteit van zorg bij patiënten met een hartinfarct

Gepubliceerd op: 19/12/2018

In december 2018 promoveerde Daniëlle Eindhoven aan de Universiteit van Leiden, afdeling hartziekten, op het meten van de kwaliteit van zorg bij patiënten die worden behandeld voor een acuut coronair syndroom, oftewel een hartinfarct. Judith van Erkelens, onderzoeker bij Vektis, heeft namens Vektis een mooie bijdrage geleverd aan het proefschrift van Eindhoven.

Van Erkelens: “Declaratiedata van Vektis zijn gebruikt om via de diagnose- en behandelingscodering te kijken naar waar de follow-up heeft plaatsgevonden en naar het gebruik van medicatie 365 dagen na het hartinfarct. Dit deel van het onderzoek laat zien dat STEMI-patiënten (hartinfarct met afgesloten kransslagader – zie ook kader) 1 jaar na het infarct vaker alle 5 de door de richtlijnen voorgeschreven medicijnen gebruikten dan NSTEMI-patiënten (hartinfarct waarbij kransslagader niet afgesloten is – zie ook kader). Het medicijngebruik is bij vrouwen, jonge patiënten en ouderen 1 jaar na het infarct lager, in het bijzonder bij NSTEMI-patiënten.”

Eindhoven heeft op detailniveau declaratiedata vergeleken met lokale patiëntendossiers in 4 representatieve ziekenhuizen om op die manier te valideren of de declaratiedata daarmee matchten en voldoende accuraat waren om het geplande onderzoek met metingen voor kwaliteitsdoeleinden mee uit te voeren.

Weekend-effect

Vektis-data zijn ook gebruikt om het weekend-effect bij de behandeling van een hartinfarct te evalueren. Hierbij is onderzocht of er verschillen bestaan tussen de geleverde zorg in het weekend en door de week. Van Erkelens: “Conclusie van dit deel van het onderzoek is dat er bij STEMI-patiënten geen verschil werd gevonden in eenjaars mortaliteit tussen een opname tijdens het weekend of doordeweeks. STEMI-patiënten werden in het weekend vaker gedotterd (77% doordeweeks versus 81% in het weekend). NSTEMI-patiënten die in het weekend werden opgenomen hadden een hogere eenjaars mortaliteit na het hartinfarct. Mogelijke oorzaak hiervan is dat deze patiënten minder vaak worden gedotterd bij opname in het weekend (35% doordeweeks versus 32% in het weekend). Meer onderzoek is nodig om de lagere overlevingskans van NSTEMI-patiënten die in het weekend worden opgenomen te verklaren.

Dit onderzoek is een heel belangrijk voorbeeld van wat er met bestaande (declaratie)gegevens kan worden onderzocht, zoals op het gebied van verschillen tussen mannen en vrouwen en specifieke leeftijdscategorieën qua medicatiegebruik na een hartinfarct en qua behandeling (al dan niet dotteren). Dit kwam bij de promotie zelf (de verdediging van het proefschrift) ook naar voren. Ik ben blij dat we hier vanuit Vektis een bijdrage aan hebben kunnen leveren.”

3 artikelen uit het proefschrift zijn te lezen via de website van PubMed of hieronder te downloaden.

Wanneer iemand een hartinfarct krijgt, dan is het voor een dokter heel belangrijk om snel te weten of iemand daarbij een afgesloten kransslagader heeft of niet. Dat komt hij in eerste instantie te weten door de informatie van het hartfilmpje, het ecg. Bij het vermoeden van een hartinfarct wordt zo snel mogelijk een ecg gemaakt, vaak al in de ambulance. Een ecg geeft ook belangrijke informatie over de locatie van het infarct. Details op het ecg wijzen bijvoorbeeld in de richting van de voorwand of de achterwand van het hart.

Als de lijn op het ecg op een bepaalde manier afwijkt, weet de dokter het zeker. Deze afwijking op het ecg is een verhoging (elevatie) van het lijnsegment tussen punt S en punt T. Vandaar dat dokters in het ziekenhuis spreken van een STEMI, een vakterm die is samengesteld uit de gehusselde beginletters van een Infarct van het Myocard (hartspier) met ST-Elevatie. Heeft iemand de symptomen van een hartinfarct maar zonder verhoging van het ST-segment, dan heet dat een non-STEMI. Bij een non-STEMI is de bloedtoevoer naar de hartspier eveneens verminderd, maar zonder dat dat zichtbaar is als een verhoging van het ST-segment op het ecg.

De diagnose STEMI of non-STEMI kan worden bevestigd door een bloedonderzoek. Bij een hartinfarct sterven er spiercellen af waardoor bepaalde stoffen in het bloed komen, de cardiale merkers. In het laboratorium zijn deze stoffen in het bloed aantoonbaar. Het bloedonderzoek wordt regelmatig herhaald, want aan de hand van de concentratie van de cardiale merkers kun je uitspraken doen over de ernst van het infarct en het verloop van het herstel.

Iemand die met een STEMI binnenkomt wordt tegenwoordig in de meeste ziekenhuizen zo snel mogelijk doorgestuurd naar de katheterisatiekamer om te worden gedotterd. Meestal wordt de uitslag van het bloedonderzoek niet eens afgewacht. Ook iemand met een non-STEMI krijgt nadere onderzoeken, zoals een echo van het hart of een nucleaire scan. De behandeling wordt dan precies op het ziektebeeld afgestemd.

Bron: www.hartwijzer.nl